Voordat je met een serie begint
De praktische regels die in alle Watch'n'Learn-trainingen terugkomen — lees ze opnieuw voordat je met een kind aan een nieuwe serie begint.
Drie dingen om eerst te lezen
Voordat je een serie aan een kind aanbiedt: lees het infoblad van de serie (de « ? »-knop), het kader van de serie in de app (doel, voorwaarden, startmateriaal, doelwoorden, opmerkingen) en de tekst boven elke stap — die staat er met een reden. Doe zelf eerst een paar oefeningen van de serie.
Controleer de voorwaarden: de grootste fout van de volwassene is te moeilijke dingen vragen. Als een gemotiveerd kind het niet doet, heeft het bijna altijd niet begrepen wat de bedoeling is — verlaag de moeilijkheid en observeer.
Tijdens de oefening
Jij kiest de oefening, maar het kind start ze. De volwassene valideert altijd het laatste deel, nooit het kind.
Geen prompts: wijs nooit het juiste plaatje aan, geen fysieke begeleiding, geen toegevoegde verbale instructie (« zoek dezelfde », « waar is…? », « kijk »). Elke hulp verandert de vaardigheid die geoefend wordt. Watch'n'Learn is gebouwd om zonder prompts te werken: als het kind aandachtig is en elke stap beheerst voordat de volgende komt, kan het alles zelf.
Zeg de zin uit de video nooit voor, vertraag hem niet, schrijf hem niet op: in de natuurlijke omgeving herhaalt niemand. Het kind mag de zin via de app opnieuw beluisteren als het actief zoekt.
Stop stereotypieën niet en dwing een kind niet dat er niet klaar voor is: meestal stopt het kind vanzelf, omdat de stereotypie het succes in de weg staat. En vooral: kijk naar het kind, niet naar de iPad — controleer dat het naar de video kijkt, dan naar de keuzes, en dat het nadenkt.
Bij een fout
De app zet de oefening terug naar het begin; jij beoordeelt: gewone onoplettendheid (doe dezelfde oefening opnieuw) of ontbrekende vaardigheid (ga terug — minder keuzes, vorige stap, of de aanleer-oefening van dat doelwoord — en ga daarna meteen weer omhoog).
Herhaal een oefening nooit meer dan 2-3 keer; kies liever een andere oefening uit dezelfde stap, anders onthoudt het kind het antwoord in plaats van de vaardigheid. Na een pauze of een nieuwe sessie: begin met wat al lukte. Noteer elke fout en vraag je af « waarom deze fout? wat heeft hij niet begrepen? » — nooit mechanisch herhalen tot « het juiste antwoord eruit komt »: zo ontstaan aangeleerde trucjes. Beloon geen gokje, ook al is het juist.
Beloning
De beloningsvideo moet meer waard zijn dan de keuzeplaatjes; pas ze aan het kind aan (korte video's voor kinderen met weinig geduld). Muntjes: meestal 1 succes = 1 muntje, 10 muntjes = de beloner (vaak: samen spelen). Je neemt nooit een muntje af. In de vloeiendheids- en opdrachtenseries komen de muntjes pas aan het einde van het blok. Beloon echte inzet, ook bij een fout; beloon geen onoplettendheid.
Uitspraak en niet-sprekende kinderen
Keur elke benadering van het doelwoord goed (« ba » voor « bal ») zolang je het verschil tussen de woorden van je kind hoort — de uitspraak verbetert vanzelf en wordt apart geoefend. Keur af: toegevoegde woorden, weggelaten woorden, herhalen dat begint vóór het model klaar is, en het na-echoën van de zin wanneer het laatste deel iets anders toont.
Niet-sprekend kind: niveau 1 is volledig toegankelijk (er hoeft niets gezegd te worden); sla de benoem-stappen over (zeg zelf het woord en valideer). Watch'n'Learn leert begrijpen, niet praten — veel kinderen zijn met Watch'n'Learn beginnen praten, maar dat is geen garantie.
Tempo en organisatie
2 × 15 minuten per dag (tot 2 × 30, afhankelijk van het kind). Daarboven raakt het kind verzadigd en onthoudt het niets meer. Een bord met 10 muntjes ≈ 5 minuten, daarna 3-5 minuten spelen.
Eén veeleisende serie tegelijk (Aanleren zin, Matchen Acties Eenvoudig, de echoics…): werk tijdens het aanleren niet aan een andere « denk »-serie — wissel alleen af met beheerste visuele series (Puzzel, Matchen Object Kleur). Doe de verplichte series in de volgorde van de gids; de optionele dienen als remediëring. De laatste serie van een domein is de moeilijkste: als het kind die kan, zijn de vorige verworven.
In de object-matchingseries mag je kiezen en snel vooruitgaan. In de actieseries, de remediëringsseries en heel niveau 2: doe alle oefeningen — wie te snel gaat, moet altijd terug. Stop vóór de verzadiging (signalen: slechtere antwoorden dan eerst, woorden uit vorige beurten die terugkomen).
Testen of aanleren
Test eerst wat het kind kent (begin met de Q-oefeningen, of vraag zelf « wat is het? ») om de nuttige oefeningen te kiezen. De testseries (Raadsels, de vloeiendheidsseries) worden niet geprompt en niet herhaald: bij een fout ga je verder, en ga je terug aanleren in de betrokken series.
Oefentitels lezen
W- = 3 delen: zien + horen → aanwijzen → benoemen (de 3 punten van de W). AI-/ANI- = identiek / niet-identiek matchen. LR- = horen → aanwijzen. LRT- = LR + benoemen in het 3e deel. Q- = vraag → antwoorden. IT- = complexe vraag (3 doelen onthouden). C1…C4 = aantal keuzes. T0/T2/T5/T8/T10/T20 = wachttijd in seconden. +I/+M/+F = het doel staat aan het begin / in het midden / aan het einde. F1/F2/F4 = aantal te onthouden doelen. Sterretje + cijfer = aantal woorden in de zin (behalve bij de echoic-zinnenserie: aantal lettergrepen). Titel te lang: houd je vinger erop. Lezend kind: verberg de titels (oog-icoon).
Een probleem melden
Fout in een oefening: geef de serie, het stapnummer en het oefeningnummer door, liefst met een korte video.